
Jurisprudentie
BA1736
Datum uitspraak2007-05-29
Datum gepubliceerd2007-05-30
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers02267/06
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2007-05-30
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers02267/06
Statusgepubliceerd
Indicatie
Bestanddeel “in vereniging” a.b.i. art. 141 Sr ontbreekt in tll. De opvatting dat het hof de inleidende dagvaarding nietig had moeten verklaren omdat de in art. 141 Sr voorkomende term “in vereniging” ontbreekt, is onjuist. Klaarblijkelijk heeft het hof de tll aldus verstaan dat de in art. 141.1 Sr voorkomende term “in vereniging” daarin is omschreven met de woorden “met een ander of anderen”.
Conclusie anoniem
Nr. 02267/06
Mr Machielse
Zitting 20 maart 2007
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft de verdachte op 14 april 2006 voor 1 primair: "diefstal, voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl het feit de dood ten gevolge heeft, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert de schuldige een tegen hem wegens diefstal met geweld uitgesproken gevangenisstraf geheel of ten dele heeft ondergaan"; 2 primair: "medeplegen van poging tot doodslag"; 3 meer subsidiair(1): "openlijk met verenigde krachten geweld plegen tegen personen" en 4: "diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien jaren. Voorts zijn beslissingen genomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en het inbeslaggenomene, is de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf gelast als nader in het arrest omschreven en heeft het hof een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
2. De verdachte heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld. Mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.
3.1 Het eerste middel richt zich tegen de ten aanzien van het onder 3 meer subsidiair gegeven beslissingen. Nu in de tenlastelegging de woorden "in vereniging" ontbreken, had het hof de tenlastelegging op dit punt nietig moeten verklaren danwel het bewezenverklaarde niet mogen kwalificeren als openlijke geweldpleging. Daarnaast heeft het hof ten onrechte naar art. 141 Sr (oud) gekwalificeerd, aldus de steller van het middel.
3.2 Art. 141, eerste lid, Sr luidt sinds 12 mei 2000:
"1. Zij die openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen, worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden of geldboete van de vierde categorie."
3.3 De tenlastelegging houdt ten aanzien van het onder 3 meer subsidiair tenlastegelegde in dat:
"hij op of omstreeks 30 januari 2005 te Drachten, gemeente Smallingerland, met een ander of anderen op of aan de openbare weg (De Houtzaagmolen), in elk geval op of aan de openbare weg, openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal (met gebalde handen) op/tegen het hoofd en/of elders tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] slaan en/of het meermalen, althans eenmaal tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] schoppen.
3.4 Daarvan is bewezenverklaard:
"hij op 30 januari 2005 te Drachten, gemeente Smallingerland, met een ander op of aan de openbare weg (De Houtzaagmolen) openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] welk geweld bestond uit het meermalen tegen het hoofd en/of elders tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] schoppen."
Het hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als:
"openlijk met verenigde krachten geweld plegen tegen personen".
3.5 Ten aanzien van de woorden "in vereniging" die in 2000 in de plaats kwamen van de woorden "met verenigde krachten" pleegt de Hoge Raad de wetgeschiedenis te citeren(2):
"3.4.2. De parlementaire geschiedenis van die wet houdt ten aanzien van het bestanddeel "in vereniging" - voorzover in de onderhavige zaak van belang - onder meer het volgende in:
"De verruiming van de reikwijdte van artikel 141 WvSr krijgt gestalte door de vervanging van de woorden "met verenigde krachten" door de woorden "in vereniging". De woorden "in vereniging" drukken uit dat de samenwerkingseis van artikel 141 WvSr onverkort blijft gelden: het "verenigde" van de krachten wordt voortgezet in de eis dat in vereniging geweld moet zijn gepleegd. Aan deze vereniging worden geen strengere eisen gesteld, wat betreft de nauwheid en de volledigheid van de samenwerking, dan bij het huidige artikel 141 WvSr het geval is. Anders dan bij moord en bij diefstal gewoonlijk het geval is, zal - zo werd reeds gesteld - aan openlijke geweldpleging veelal niet een fase van voorbereiding voorafgaan. De samenwerking kan zeer wel bestaan uit niets meer dan een gezamenlijk gepleegde, niet voorbereide vernieling of mishandeling. Net als thans kan ook na de voorgestelde wijziging in dergelijke gevallen zeer wel van openlijke geweldpleging sprake zijn.
Het verschil met de huidige delictsomschrijving zit uitsluitend in het ontbreken van het woord "krachten". Anders dan thans is niet langer doorslaggevend of de verdachte "krachten" heeft aangewend die met die van anderen verenigd zijn. Voldoende is, dat hij deel uitmaakt van de groep die het openlijke geweld heeft gepleegd, en een bijdrage heeft geleverd aan dat geweld. Die bijdrage kan bestaan in het plegen van een gewelddadige handeling, dat hoeft echter niet. De betrokkene kan ook met een bivakmuts hebben rondgelopen en anderen hebben aangemoedigd. Hij kan, in gevallen waarin het openlijke geweld niet "spontaan" gepleegd wordt, ook een rol in de organisatie hebben gespeeld door deelnemers aan de openlijke geweldpleging te werven.
(...)
3.8. Blijkens de wetsgeschiedenis, zoals hiervoor onder 3.4.2 weergegeven, is van het "in vereniging" plegen van geweld sprake indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn."
3.6 De wetgever beoogde met deze wijziging in de tekst van art. 141 Sr de strafbaarstelling van openlijke geweldpleging meer op één lijn te brengen met de strafrechtelijke aansprakelijkheid wegens medeplegen.(3) In de memorie van toelichting schrijft de Minister dat niet iedereen die geen geweld gebruikt ook onschuldig is. Ook degenen die geen geweld gebruiken kunnen schuldig zijn, doordat hun aanwezigheid het plegen van geweld door anderen bevordert.(4) De ontwikkeling van het medeplegen heeft geleid tot strafrechtelijke aansprakelijkheid ook van degene die nauw en volledig samenwerkt zonder samen uit te voeren. Anderzijds schoot de strafrechtelijke reactie tekort jegens hen die bijvoorbeeld een bijdrage leveren aan gewelddadige confrontaties met de politie zonder zelf daden van geweld te begaan.
3.7 De woorden "in vereniging" vormen een bestanddeel van art. 141 Sr en behoren in de tenlastelegging tot uitdrukking te komen. De vraag is of dit in de onderhavige zaak voldoende is geschied doordat de tenlastelegging spreekt van "met een ander of anderen".
3.8 Nu de tenlastelegging niet de woorden "in vereniging" bevat dienen de woorden "met een ander of anderen" naar mijn mening te worden geïnterpreteerd overeenkomstig het normaal spraakgebruik.(5) Het komt mij voor dat deze woorden aldus uitgelegd dienen te worden dat de ander direct betrokken is geweest bij hetgeen is gedaan. Die ander moet daarin een aandeel hebben gehad, hij moet samen hebben gehandeld, samen hebben uitgevoerd, hebben samengewerkt.(6) Van het met een ander openlijk geweld plegen zal geen sprake zijn indien die ander slechts door aanmoedigingen tot geweld ophitst. In zoverre zijn de in de onderhavige tenlastelegging gebezigde woorden beperkter dan de woorden in de delictsomschrijving. Het OM doet er verstandig aan een dergelijke wijze van ten laste leggen te reserveren voor die gevallen waarin het duidelijk is dat de ander samen met verdachte geweld heeft gebruikt.
Hij die met een ander openlijk geweld pleegt valt in deze uitleg dus zonder meer binnen het bereik van art. 141 Sr. Dat de tenlastelegging niet de woorden "in vereniging" inhoudt doet er niet aan af dat het misdrijf van art. 141, eerste lid, Sr voldoende duidelijk is verwoord.
Uit de gebezigde bewijsmiddelen is af te leiden dat verdachte in deze zin met een ander openlijk geweld heeft gepleegd en de bewezenverklaring kan dus als openlijke geweldpleging worden gekwalificeerd.
Het middel faalt.
4.1 Het tweede middel behelst een soortgelijke klacht ten aanzien van het onder 4 bewezene. In de bewezenverklaring is - ik zou welhaast reeds zeggen: abusievelijk - niet de zinssnede uit de tenlastelegging opgenomen: "welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2]".
4.2 Nu de tenlastelegging het misdrijf van art. 312 Sr wel toereikend omschrijft kan uw Raad de bewezenverklaring verbeterd lezen, nu hier evident sprake is van een misslag.
Het middel faalt.
5. Beide middelen falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Een andere grond waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
6. Deze conclusie strekt tot tot verbeterde lezing van de kwalificatie van het onder 3 meer subsidiaire als "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen" en van de bewezenverklaring van feit 4. Voor het overige dient het beroep te worden verworpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Door het hof, de advocaat-generaal en de steller van het middel aangeduid als meer subsidiair, terwijl het blijkens de op de voet van art. 314a Sv en nadien nogmaals gewijzigde tenlastelegging gaat om het onder 3 subsidiair, tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde. Ik zal het, teneinde meer misverstanden te voorkomen, in mijn conclusie dan ook maar hebben over het onder 3 meer subsidiair tenlastegelegde.
2 Bijv. in HR 11 november 2003, LJN AL6209; HR 13 september 2005, NJ 2006, 449 en HR 20 juni 2006, LJN AV7266. Zie ook J.M.W. Lindeman & E. Sikkema, Een significante bijdrage aan openlijk geweld, in DD 2006, 85, p.1170-1189.
3 Bijv. Kamerstukken II 1998/99, 26519, nr. 3, p. 1; Kamerstukken II 1999/2000, 26519, nr. 6, p. 1 e.v.; Kamerstukken I 1999/2000, 26519, nr. 199a, p. 2 e.v.
4 Kamerstukken II 1998/99, 26519, nr. 3, p. 3.
5 Vgl. HR 27 januari 1998, NJ 1998, 810 m.nt. Knigge.
6 Van Dale sub voce 'met': ter aanduiding van een vereniging of begeleiding.
Uitspraak
29 mei 2007
Strafkamer
nr. 02267/06
EC/IC
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 14 april 2006, nummer 24/002023-05, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Nieuw Vosseveld" te Vught.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Leeuwarden van 20 oktober 2005 - de verdachte ter zake van 1 primair "diefstal, voorafgegaan van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl het feit de dood ten gevolge heeft, terwijl tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert de schuldige een tegen hem wegens diefstal met geweld uitgesproken gevangenisstraf geheel of ten dele heeft ondergaan", 2 primair "medeplegen van poging tot doodslag", 3 meer subsidiair "openlijk met verenigde krachten geweld plegen tegen personen" en 4. "diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen" veroordeeld tot zestien jaren gevangenisstraf met verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verbeterde lezing van de kwalificatie van het onder 3 meer subsidiaire als "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen" en van de bewezenverklaring van feit 4, met verwerping van het beroep voor het overige.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte de inleidende dagvaarding niet nietig heeft verklaard met betrekking tot het onder 3 meer subsidiair tenlastegelegde feit dan wel de kwalificatie van het bewezene ontoereikend heeft gemotiveerd.
3.2.1. Aan de verdachte is onder 3 meer subsidiair tenlastegelegd dat:
"hij op of omstreeks 30 januari 2005 te Drachten, gemeente Smallingerland, met een ander of anderen op of aan de openbare weg (De Houtzaagmolen), in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal (met gebalde handen) op/tegen het hoofd en/of elders tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] slaan en/of het meermalen, althans eenmaal tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] schoppen".
3.2.2. Daarvan is bewezenverklaard dat:
"hij op 30 januari 2005 te Drachten, gemeente Smallingerland, met een ander op of aan de openbare weg (De Houtzaagmolen) openlijk geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] welk geweld bestond uit het meermalen tegen het hoofd en/of elders tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] schoppen."
3.3. De tenlastelegging is toegesneden op het eerste lid van art. 141 Sr. Die bepaling luidt:
"Zij die openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen, worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren en zes maanden of geldboete van de vierde categorie."
3.4. Aan het middel ligt de opvatting ten grondslag dat de enkele omstandigheid dat in de tenlastelegging is vermeld dat de verdachte het feit heeft begaan "met een ander of anderen" doch niet dat hij het feit "in vereniging" heeft begaan, leidt tot nietigheid van de dagvaarding. Die opvatting is onjuist. Voor zover het middel betoogt dat het Hof de inleidende dagvaarding ten aanzien van het onder 3 meer subsidiair tenlastegelegde nietig had dienen te verklaren, is het dus ongegrond.
3.5. Klaarblijkelijk heeft het Hof de tenlastelegging aldus verstaan dat de in art. 141, eerste lid, Sr voorkomende term "in vereniging" daarin is omschreven met de woorden "met een ander of anderen". Uitgaande van die uitleg heeft het Hof terecht geoordeeld dat het bewezenverklaarde het misdrijf van art. 141, eerste lid, Sr oplevert. Ten onrechte heeft het Hof het bewezene echter gekwalificeerd als "openlijk met verenigde krachten geweld plegen tegen personen" in plaats van op de voet van de hier toepasselijke wettekst als "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen". Voor zover het middel daarover klaagt is het gegrond.
4. Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de kwalificatie van het onder 3 bewezenverklaarde;
kwalificeert het onder 3 bewezenverklaarde als "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen";
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 29 mei 2007.

